Recent oordeelde de kantonrechter in Arnhem dat vakantiedagen zich ook opbouwen tijdens een slapend dienstverband, dat is de periode waarin er geen recht op loon bestaat. Echter, de kantonrechter in Groningen kwam tot een andere conclusie.

Een werknemer claimde betaling voor vakantiedagen die hij had opgebouwd tijdens 104 weken van arbeidsongeschiktheid, van 8 november 2023 tot het einde van zijn dienstverband op 30 april 2025. Dit betrof maar liefst 238,35 niet-genoten vakantie-uren. De werkgever wees deze claim echter af en verwijst naar de wet, waarin het recht op vakantie is verbonden aan het recht op loon.
De kantonrechter besloot dat er tijdens een slapend dienstverband geen vakantiedagen worden opgebouwd voor de periode waarin het recht op loon is beëindigd. Hij verwees naar artikel 7 lid 1 van de Arbeidstijdenrichtlijn, dat spreekt over het behoud van loon. Bij een slapend dienstverband kan daar echter geen sprake van zijn.
Het doel van vakanties is om jou als werknemer de kans te geven te herstellen van je werkzaamheden en om tijd voor ontspanning en vrije tijd te hebben. Dit veronderstelt dat je actief hebt gewerkt, zodat het nemen van een rustperiode gerechtvaardigd is voor de bescherming van jouw gezondheid en veiligheid, zoals bedoeld in de Arbeidstijdenrichtlijn. Gedurende de wachttijd is de veronderstelling dat jij weer aan het werk gaat. Daarom zijn de arbeidsongeschikte werknemers gelijk te stellen aan werknemers die daadwerkelijk werken.
Bij een slapend dienstverband is het duidelijk dat er geen re-integratie heeft plaatsgevonden en kan een aanvraag voor een WIA-uitkering in overweging worden genomen. De werkgever heeft namelijk het recht om het dienstverband te beëindigen.
De doelen van het Europese Hof van Justitie (herstel door rust en ontspanning) kunnen bij een slapend dienstverband niet worden gerealiseerd. Bovendien verwachten zowel de werkgever als de werknemer niet meer dat jij weer aan het werk gaat, waardoor de bescherming van jouw veiligheid en gezondheid niet op dezelfde manier gewaarborgd hoeft te worden. Vaak valt een werknemer na de wachttijd terug op een uitkering uit de sociale zekerheid, die doorgaans doorloopt tijdens vakantie, waardoor er op deze manier ook in vakantie met behoud van uitkering wordt voorzien.
Gezien de tegenstrijdige uitspraken van verschillende rechtbanken zou het wenselijk zijn als de Hoge Raad hier duidelijkheid over biedt, bijvoorbeeld in de vorm van prejudiciële vragen.