Een bestuurder van een transportbedrijf wordt aansprakelijk gesteld voor bijna € 730.000 aan onbetaalde loonheffing en omzetbelasting. Hij beweert dat hij tijdig betalingsonmacht heeft gemeld. De rechtbank concludeert echter dat dit niet het geval is. Het verzoek om corona-uitstel is ingediend op basis van een onjuiste reden. Bovendien is er sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Terwijl de belastingschulden toenemen, ontvangt de bestuurder meer dan € 470.000 van groepsvennootschappen zonder dat de reden daarvoor duidelijk is.
Snelle groei, geen belastingafdracht
Het transportbedrijf is opgericht in augustus 2020 en groeit snel. De omzet stijgt van € 1,5 miljoen in 2020 naar bijna € 9 miljoen in 2023. Tegelijkertijd blijven er aanzienlijke bedragen aan loonheffing en omzetbelasting onbetaald. In januari 2022 vraagt het bedrijf corona-uitstel aan vanwege terugvallende opdrachten. De Belastingdienst verleent dit uitstel, maar trekt het later weer in, omdat er onvoldoende uitleg wordt gegeven over de relatie met de coronasituatie.
Onterecht corona-uitstel aangevraagd
De bestuurder stelt dat het verzoek om corona-uitstel moet worden gezien als een melding van betalingsonmacht. De rechtbank verwerpt deze stelling. De opgegeven reden blijkt onjuist gezien de sterke omzetgroei. Hierdoor wordt het verzoek niet als een geldige melding beschouwd. Een later verzoek om een betalingsregeling op 1 mei 2023 wordt wel als melding erkend, maar dit is alleen tijdig voor de maanden februari en maart 2023.
Onvoldoende handelen als bestuurder
Ook voor deze maanden blijft de bestuurder aansprakelijk. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De bestuurder is op de hoogte van de belastingschulden en ontvangt hierover meerdere overzichten. Toch blijven aangiften uit of worden deze te laat ingediend, waardoor de schulden verder oplopen. Tegelijkertijd wordt er € 3,8 miljoen overgeboekt naar gelieerde vennootschappen. De bestuurder stelt dat deze betalingen noodzakelijk zijn voor de continuïteit van de groep, maar een groot deel van het geld komt uiteindelijk bij hemzelf terecht.
Meer dan vier ton zonder verklaring
In drie jaar tijd ontvangt de bestuurder € 723.567 op zijn privérekening vanuit groepsvennootschappen. Hiervan betreft € 253.108 nettoloon. Voor het resterende bedrag van € 470.459 geeft hij geen verklaring. Ook uit bankafschriften blijkt niet waarvoor deze bedragen zijn betaald. De rechtbank acht het aannemelijk dat een groot deel van dit bedrag indirect afkomstig is van het transportbedrijf en kwalificeert deze betalingen als onzakelijk.
Foutieve jurisprudentieverwijzingen
Opmerkelijk is dat de rechtbank een deel van het beroepschrift buiten beschouwing laat. Dit bevat meerdere foutieve en niet-bestaande verwijzingen naar jurisprudentie. De rechtbank negeert de stellingen die daarop zijn gebaseerd. Het patroon van niet-bestaande arresten met plausibel klinkende vindplaatsen doet denken aan AI-hallucinaties. Hoewel de rechtbank dit niet expliciet vermeldt, is de boodschap duidelijk: controleer altijd je bronnen.