In deze zaak stond de vraag centraal of het aanbieden van plastic draagtassen voor de btw als een afzonderlijke dienst beschouwd moet worden. Voor de btw geldt dat bij de levering van meerdere diensten elk afzonderlijk het bijbehorende btw-tarief dient te worden toegepast. Afwijken hiervan is alleen mogelijk in specifieke gevallen.
Afwijkingen zijn aan de orde wanneer verschillende diensten zo nauw met elkaar verweven zijn dat het splitsen ervan onnatuurlijk zou zijn. Dit geldt ook als er sprake is van één hoofdprestatie en één of meerdere aanvullende diensten. Een aanvullende dienst heeft geen op zichzelf staand doel, maar is bedoeld om optimaal gebruik te maken van de hoofdprestatie. Alleen in zulke gevallen volgt de aanvullende dienst het btw-tarief van de hoofdprestatie.
De rechtbank en het gerechtshof in Amsterdam hebben geoordeeld dat de plastic tassen gezien moeten worden als een zelfstandige dienst. Deze tassen zijn niet aanvullend, maar vormen een doel op zich voor de consument die in de supermarkt geen boodschappentas bij zich heeft. De consument kan zelf beslissen of hij een tas wil kopen en moet hiervoor apart betalen.
Volgens de rechters kan een draagtasje niet als verpakkingsmateriaal worden aangeduid en valt daarom niet onder het btw-tarief van de hoofdprestatie. Deze tassen zijn immers bij aankoop leeg en maken geen deel uit van een product. Er is dan ook geen reden om af te wijken van het principe dat op de dienst 'draagtas' het hoge btw-tarief van 21% moet worden toegepast.
De Hoge Raad deelt deze mening en bevestigt daarmee de uitspraak van het Hof in Amsterdam.