Het Hof heeft eerst onderzocht of er sprake was van één enkele dienst of meerdere afzonderlijke diensten. Het was duidelijk dat het hospice in deze situatie niet alleen kamers aan gasten ter beschikking stelde, maar ook zorgde voor eten en drinken, en daarnaast algemene zorg bood aan de gasten en hun naasten. Volgens het Hof was er sprake van één onverdeelde dienst, namelijk het leveren van zorg, gericht op het bieden van de hoogst mogelijke kwaliteit van leven voor gasten in hun laatste levensfase.
Het Hof beoordeelde dat er geen aanleiding was om deze diensten te splitsen. De verschillende diensten waren zo sterk met elkaar verbonden, dat een splitsing onterecht zou zijn. Bovendien was er geen situatie waarin er verschillende diensten bestonden met één hoofdprestatie en één of meerdere bijkomende diensten. In dat geval zou splitsing wel noodzakelijk zijn geweest.
Daarnaast oordeelde het Hof dat de dienst niet in aanmerking kwam voor vrijstelling. Deze dienst kon niet worden gekwalificeerd als een medische dienstverlening. Ook was er geen mogelijkheid voor vrijstelling voor sociale en culturele diensten. Bovendien konden ze ook geen gebruikmaken van het destijds geldende lage btw-tarief voor hotelovernachtingen, omdat de dienst veel verder ging dan alleen verhuur.
Uiteindelijk concludeerde het Hof dat de diensten belast waren tegen het standaard hoge btw-tarief. Dit resulteerde voor de stichting die het hospice beheerde in een aanzienlijke terugvordering van de btw die was betaald tijdens verbouwingswerkzaamheden.