Een directeur-grootaandeelhouder (dga) sluit een overeenkomst voor de aanschaf van cryptotokens. De besloten vennootschap (bv) maakt een bedrag van € 250.000 over. Helaas blijken de tokens waardeloos te zijn. De bv wil het verlies in mindering brengen op haar resultaat, maar de inspecteur weigert de afwaardering. Dit komt doordat de overeenkomst op naam van de dga staat en niet op naam van de bv.
Investering in cryptomining
In 2018 wordt de dga benaderd door een bedrijf uit de Verenigde Arabische Emiraten dat geld wil inzamelen voor een cryptominingonderneming. Hij ontvangt een brochure met aantrekkelijke rendementsvooruitzichten en sluit een overeenkomst voor de aankoop van meer dan 422 miljoen tokens voor € 250.000. Deze tokens geven recht op een maandelijks aandeel in de opbrengst van de mining. De bv doet de betaling en in de jaarrekening van 2018 worden de tokens opgenomen als financiële vaste activa.
Investering blijkt waardeloos
Helaas blijkt dat er niets met het geld gebeurt; de cryptomining komt nooit van de grond. In mei 2020 bevestigt een van de betrokkenen per e-mail dat het project is mislukt en dat de investering waardeloos is. Een onderzoeksbureau concludeert, in opdracht van de dga, dat er voldoende redenen zijn voor een aangifte wegens oplichting. In de aangifte vennootschapsbelasting 2019 brengt de bv het volledige bedrag van € 250.000 in aftrek als afwaardering van de tokens.
Overeenkomst staat op naam dga
De inspecteur weigert echter de aftrek. De overeenkomst is immers door de dga in privé gesloten en niet door de bv. Ook het ontvangstbewijs voor de tokens staat op naam van de dga. Het feit dat de bv het bedrag heeft overgemaakt, verandert hier niets aan. De betaling wordt gezien als een verkapte winstuitdeling aan de dga. De inspecteur legt een aanslag op met een belastbaar bedrag van € 3.556.548 in plaats van de aangegeven € 3.306.548.
Hof volgt inspecteur
De curator van de inmiddels failliete bv gaat in beroep. Hij stelt dat de bv om zakelijke redenen in de tokens heeft geïnvesteerd, namelijk om handelstransacties in cryptovaluta te faciliteren. Het hof oordeelt echter dat de bewijslast bij de curator ligt. Uit de overeenkomst blijkt nergens dat de dga namens de bv handelde. De curator heeft ook geen e-mails of andere documenten uit 2018 overgelegd die dit zouden kunnen aantonen. De inspecteur had hier al vóór het faillissement om gevraagd. Het ontbreken van deze stukken komt voor rekening van de bv. Bovendien heeft de accountant zich onthouden van een oordeel over de jaarrekening. De afwaardering is dan ook terecht geweigerd.