Een erfgename betoogt dat zij geen belastingrente hoeft te betalen over de erfbelasting. De aangifte is immers tijdig ingediend, en de inspecteur heeft meer dan twee jaar gewacht voordat hij een aanslag oplegt. Bovendien wijst zij erop dat het werkelijke rendement op het vermogen ongeveer 1% bedraagt, terwijl de rente kan oplopen tot 7,5%. De inspecteur blijft echter bij zijn standpunt. De wettelijke uitzondering is alleen van toepassing als de aanslag overeenkomt met de ingediende aangifte, wat hier niet het geval is.
Een te laag saldo
De aangifte is in december 2022 ingediend en vermeldt een zuiver saldo van de nalatenschap van € 1,6 miljoen. Het erfdeel van de vrouw resulteert in meer dan € 16.000 aan erfbelasting. Correspondentie met haar gemachtigde vanaf mei 2024 toont echter een heel ander beeld. Het zuivere saldo blijkt bijna € 2,3 miljoen te zijn, en ook de erfdelen worden anders vastgesteld. In april 2025 volgt er een aanslag, inclusief € 11.000 aan belastingrente.
Alleen bij een overeenkomstige aangifte
De rechtbank steunt de inspecteur in deze kwestie. Bij een aanslag erfbelasting wordt rente berekend vanaf acht maanden na het overlijden. De uitzonderingen in de wet zijn uitsluitend van toepassing op aanslagen die overeenkomen met de ingediende aangifte. In dit geval wijkt de aanslag op meerdere punten af. Het feit dat de aangifte op tijd is ingediend, verandert hier niets aan. Ook het argument dat de inspecteur niet binnen drie maanden een aanslag heeft opgelegd, is niet relevant. Deze termijn is een richtlijn, terwijl de wet hem drie jaar de tijd geeft. De belastingrente is niet het gevolg van traagheid bij de Belastingdienst, maar van fouten in de aangifte zelf. Wie het saldo en de erfdelen direct correct vastlegt, voorkomt dat de teller gaat lopen.